cynthia
vervolgverhaal

Cynthia staat voor haar raam. Ze staart over de bijna lege Statenlaan.
De maand mei is al goed aan het opwarmen en het volk heeft en masse voor de kust gekozen. Zij niet, zij is verpleegster…niet haar echte werk maar uit noodzaak.
Haar vader is ernstig ziek en de dokter geeft hem nog één jaar. Zijn gestel is erg zwak maar hij heeft een hart van een os. Haar ouders zijn allang geleden gescheiden en haar moeder belt eens in de week met haar dochter.
Het contact is lauw, moeder en dochters dat gaat bijna niet samen. Haar vader is haar alles, maar toch wil ze hem dood. Aan de overkant van de straat voetballen een paar opgeschoten jongens zich naar de kust toe.

Zij wil ook naar buiten, weg van hier maar ieder moment kan hij weer via die kut babyfoon haar opeisen. ‘ Cynt doe dit.. doet dat… pak dit even…zet muntthee.’ Cynthia zucht. De tijd verloopt in dit huis als dikke stroop. Het is 15.01 uur en dan wil vader zijn drankje. Een hoestdrankje. ‘ Godver ga toch dood man…ik ben het zat, sterf en ik zal op een mooie dag eens je graf bezoeken.’ Alles wat zij heeft voorgesteld is van tafel geveegd. Thuiszorg, dat was een lachertje. Zij is er toch, waarom een vreemde in huis halen, nee, als iets geld gaat kosten daarin is de heer Gerritsen niet thuis. Willem Gerritsen oud militair. ‘ Hallo, Cynt ben je daar?’ De goedkope van Blokker gekochte intercom braakt het bericht onpersoonlijk uit.

‘Ja, vader ik ben er.’ Zij zegt het met een lieve stem maar van binnen kookt zij. Ze neemt de oude trap naar beneden toe en gaat de via de piepende deur de huiskamer binnen. De oude rochelende man ligt in zijn hoog-laag bed. Dat is het enige dat zij van de zorgverzekeraar hebben gekregen. De ijzeren zuster wordt via een afstand bediening gecommandeerd. Gerritsen kan dat gelukkig zelf. Hij komt zijn bed niet meer uit, alles gaat via de po en de urine fles. S’nachts krijgt hij van zijn dochter een luier om. Alles wat zij aan die liggende vent doet, gaat via extreem gekreun, of hij overal in zijn lichaam de pijn heeft gespaard.

‘Cynt; de thee graag.’ Ze stopt het kussen beter onder zijn bezwete hoofd. Zijn witte haren dun en verwart…zij kijkt er liefdevol naar. ‘Ja vader.’ Ze loopt weg in de keuken aangekomen vult ze de witte waterkoker. Het wonderapparaat, ook van de Blokker, laat zich graag vullen. Ze ziet dat er nog wat afwas staat in de van mozaïek gemaakte stenen aanrecht, maar de zin om er wat aan te doen ontbreekt.

Haar werk als consultant manager in het catering wezen is druk. Een nieuw model menukaart moet voor juni bij de klanten zijn en de stress neemt toe. Gelukkig kan ze met de computer veel thuis werken, en eens in de week naar een vergadering toe, dat is dan zo’n tien minuten fietsen van haar woning. Ze staart. Het is nacht. De slaap komt niet en ze peinst. Licht van een straatlantaarn en de schaduw van de voor het huis staande Lindeboom spelen tikkertje op het plafond. Zij kijkt er naar, maar zij heeft geen plezier in het meedoen van dat al oude volksspel. ‘Wat kan ik doen om zijn lijden te verlossen?’ Ze denkt het hare ervan. ‘Een kussen, zal ik een kussen op zijn gezicht leggen en hem zo laten inslapen?’ Zal men dat kunnen zien of ontdekken?’ Ze praat nu zachtjes in zichzelf. Bewust dat niemand haar hoort. Het is warm en Cynthia ligt naakt onder een dun dekbed. Haar mooie lichaam rust. Ze overdenkt om uit bed te gaan want zo is er ook geen lol aan. Langzaam komt ze voor over zitten. Haar borsten vallen zachtjes naar benee. Haar blote buik ademt rustig. Eén been eruit en de ander volgt slaafs. Ze is één meter achtenzeventig maar haar benen laten haar optisch langer lijken. Ze zit op de rand van het bed, pakt haar roze peignoir en daarmee omsluit ze haar prachtige lichaam, ze doet het bedlampje aan. Ze vat haar mobiel en gaat bellen. Ze wil een date. Ze wil a.s. weekend uit.

‘ Hallo,’ wordt er slaperig aan de andere kant gezegd. ‘Sorry Johan heb ik je wakker gemaakt? met Cynthia.’ ‘Trut weet je wel hoe laat het is? Nee, eigenlijk niet, ik kan niet slapen. Kijk dan even op de klok…het is 3 uur. Kutwijf !’ Ze wordt weggezapt en de stilte komt weer te voorschijn. ‘Shit ook dat nog.’ Ze huilt dikke tranen. frustratiewater komt bij haar te voorschijn. ‘ Kut vent, kut, tering. Ik ga die ouwe gek vermoorden, ik wil vrij zijn.’ Ze sluipt naar beneden. Geruisloos komt ze in de half verduisterde kamer. Niet bang voor haar vader doet ze het grote licht aan. De man merkt niet zo veel. Zij staat nu bij haar zieke vader. Zij betast met weerzin zijn rottende lichaam….een gevoel dat zij zomaar een koude wintergrond aanraakt maakt haar triest. Het mager wit van blauw aderen bekleed lijf geeft niet mee.

‘Dood vader, je moet dood. Papa..ik ga je de hemel bezorgen.. ik kan er niet meer tegen. Je commando’s. Je bevelen, het is te veel voor me.’ Ze spreekt zacht maar zeer gedecideerd. Ze loopt naar achteren, daar staat in de kamer een dure fauteuil. Daarop ligt een ander kussen. Niet zo fris, maar ach als je de schepper gaat ontmoeten is alles veroorloofd. Als een behendige kat sluipt ze naar haar prooi toe. De man merkt nog steeds niets. De medicijnen zijn dit keer goed aangeslagen. Ze heeft geluk. ‘Vaarwel vader ik zal mammie morgen zeggen van je heengaan en jouw huis, daar zal ik goed voor zorgen. Ik zal de kamers aan schoon volk verhuren en ik zal ieder dag je foto afstoffen.’ Langzaam gaat het witte dikke stiksel over het slapende hoofd heen.